
Wat duikt daar op tussen de bomen – een lange hals met slanke, rechtopstaande pinnen, een rustende vleugel is zichtbaar, een aandachtige kop met sierlijke hoorns, gebogen in een groen meer, waar algen of lotussen op drijven, om te drinken. Dit is een plek waar een mens niet komt en toch is deze foto genomen, deze tekening gemaakt. De draak is wit van kleur, een beetje grijs in het vroege ochtendlicht. Het water van het meer is luminiscent, maar dat komt misschien door een gefilterd zonlicht, dat ook een deel van de rijke bomen in de verf zet, een lichtgroen overgaand in een diepgroen, waar de schaduwen wonen. Het ontwaren van de draak is de blik op een ongerepte wereld die zich verscholen hield. Gelukkig ziet het dier, hij of zij, ons niet, of is het dier zich niettemin bewust van onze aanwezigheid, hoewel het onverstoorbaar de eigen dorst lest. De ogen zijn groot en het is mogelijk dat we in zijn ooghoeken een flauwe ooggetuige zijn. Flauw, want het beest is krachtig en machtig, het is misschien niet opgewassen tegen de mensheid als geheel, maar het zou een individu uitschakelen als met de zwaai van een poot, maar daarom zijn we misschien ook niet zo belangrijk voor deze afgevaardigde van de natuur in haar mooiste, meest raadselachtige, geheime nissen.

Thucydides is onze voornaamste bron voor wat we weten over de Peloponnesische oorlogen. Helder, beknopt, uitvoerig, diepgaand, in precieze schetsen zet de meester uiteen waarom er gebeurd is wat er gebeurde. En er is zoveel gebeurd. De spinsels achter de macht, en achter het verkrijgen van macht, zijn eindeloos en Thucydides lijkt ze allemaal te beschrijven, wat er achter een spiegel plaatsvindt, wat de beweegredenen zijn voor een faliekante beslissing, de oorzaken van een fiasco dat je onmogelijk kon zien aankomen, omdat alle factoren een lovenswaardig voornemen leken te ondersteunen, met andere woorden het verschil tussen theorie en praktijk, plotse bondgenootschappen die de balans van de strijd en het overwicht doen kantelen, koningen die ineens een wrok koesteren, generaals die van partij wisselen of die schijnbaar ten onrechte verstoten worden. De oorlog die niet eindigen wil, ondanks het erdoor naar een onderschikte plaats verschuiven van waarden van vrede, weelde, geestesleven, rust, ontwikkeling, onafhankelijkheid en evenwicht. Complexe troepenbewegingen, woekerende emoties in de stadsstaten, de kerende kansen, het heffen van belastingen, het opmarcheren, de strategieën, de vlootbouw, het bijna verrassende verlies van het grote Athene, het verlies van de samenhorigheid van de Grieken en daarmee een puntkomma in hun roemrijke geschiedenis. Gewoon door de feiten weer te geven, voelen we binnen Thucydides’ verslag de hoop en wanhoop, de jachtigheid, de toorn en de verve van alles dat een en ander moet teweeggebracht hebben bij de leden van het volk, de mensen die het allemaal moeten hebben ondergaan, van glorie en meesterschap naar ontgoocheling en verdeeldheid. Er valt hier veel te leren over wijsheid waarmee om te gaan met omwentelingen.

“Gate of the Infinite” (ca. 1910) door Legh Mulhall Kilpin (1853–1919) Waterverf op papier.
De “poort” is een grens tussen bekend en onbekend, tussen veilig en gevaarlijk. Duisternis achter de poort roept nieuwsgierigheid, spanning en een voorgevoel op. De eenzame figuur (of boot) die de poort nadert, hengelt (tevergeefs?) naar het reusachtige van de rotswand, naar de plechtigheid van het ogenblik. Dit is een ritueel, een metafysica. De rode bloemen op de bijna over het hoofd geziene voorgrond staan voor leven, opoffering, passie of vergankelijkheid – een levendig contrast met de donkere, meer eeuwige tinten van de steen, de klif en de poort. Als waarnemer kan je die klaprozen associëren met herinnering, verlies of de grens tussen leven en dood. De compositie en sfeer resoneren met de symbolistische en romantische gevoeligheden van de late 19e / vroege 20e eeuw – nadruk op emotionele sfeer, het sublieme, de grens van menselijke kennis. Het schilderij roept vaak verwondering op, gemengd met angst. Een online reactie beschreef de “sfeer” van het werk als majestueus en mysterieus, alsof de kijker zowel aangetrokken als terughoudend wordt richting de poort.

Harmonica rond de nek, krullenbol, gitaarriem, zwartfluwelen vestje, hand gewiekst in de aanslag voor een akkoord, schuinse blik van ‘gaat het lukken daar, vraag ik me af’, blik van interesse, van humor, van afwachting. We zitten hier in een studio en de grootste troubadour van de laatste eeuwen maakt zich klaar om, wie weet, een nieuwe song in te blikken, well-prepared, nee meer dan simpelweg voorbereid – gewoon door en door op de hoogte, misschien in een nogal mum van tijd, zuivere expertise die zich splitst in vele wegen, in strofes, vingerzetting, aanslag, rijmkansen, toonhoogte, emotie. De creatie van meesterschap ligt in oprechte transformatie en niet in leugens. De rijke jaren zijn een schat aan proeven, uitproberen, verkennen, vinden, belangen afwegen, waarnemen en vaststellen in de kronkelpaden van taal en geluid. De metafoor, de ingelegde, uitgewerkte vergelijkingen die op basis van klank met elkaar de geheimen verraden van aanstroom (van beelden, gevoelens en auto-waarschuwingen) en inkeer, die technieken schrikken de luitenant met de slechte bedoelingen af tot een dienstverband om plaats te ruimen voor wie een portret van dichter-muzikant van schaduwen wil helpen proberen te redden. Trots is impliciet en bijna enkel een randverschijnsel dat kracht mag bijzetten maar niet de overheersing van het karakter mag bepalen. Het karakter is geen gat in de spiegel, maar een kwinkslag en een wimpertrillen waarbij een traan zich vergiet in wijsheid, aanvaarding en rechtvaardigheid.

The Anchor Anthology of French Poetry, from Nerval to Valéry is een trip down wonder lane. We meten met passer, met potlood, met portret, met inkt, met papiersnippers die volgeschreven worden in landschappen, in bars, achter drank, in rook, bij de rivier, onder de mensen, zonder de mensen, bij de geliefde, in eenzaamheid, een transformatieve periode gekenmerkt door diepgaande innovatie, fragmentatie van klassieke vormen en toenemende introspectie. Deze poëtische boog weerspiegelt de evoluerende filosofische, psychologische en esthetische zorgen tijdens de overgang van Frankrijk van romantiek via symbolisme naar vroeg modernisme. Het is een troost en een toeverlaat, een liefde en een verwondering om van bladzijde naar bladzijde naar bladzijde te reizen, doorheen de rijkste koppen van deze periode in de geschiedenis van literatuur. Je komt helemaal tot rust, je vraagt je dingen af, je denkt na over woorden, over dingen in de wereld van toen, over gebeurtenissen in je leven van nu. Verstilling gaat gepaard met briljante snelheidsoverwegingen, dynamiek met ingehouden explosies en vertragingen. Perfect geparafraseerde vertalingen en wel georchestreerde en zeer doordachte woordenwisselingen zeer weloverwogen neergepend op een blad papier dat ergens op de vloer van een woning is beland kan onder de juiste omstandigheden evenveel waard zijn als een uitgebreid manuscript van 110 pagina’s, tenminste indien de frasen en gedachten in beide gevallen vergeten hetzij herinnerd zijn. Wat zich in onze geest afspeelt heeft zijn betrekking op de betrekkingen van de wereld en het symbool is een brug die je slaat tussen twee kanten van de medaille, met iedere zijde een hoofd of staart, een ontwikkeling van heftige gevoelens naar weloverwogen orde, bewustzijn en het analytische binnen het proces van creatie, een modelleren van beslissingen van klank en echo, software die vlotjes moet geschreven worden, en open-access moet rinkelen binnen het hart van een lezer.

Rembrandt, oh Rembrandt. Waar ben je gebleven, waar is je wijsneus, je guitige, schalkse schelm- en deugniethouding, je papieren schetsen, de orde in de werkkamer, of de wanorde, wat weet ik ervan. Ik denk dat je wel van een glas hield. Maar ik denk vooral aan je glimlach, de glimlach die een kamer inspireert tot grootse daden, een kijker tot de neiging je beter te leren kennen, je vele zelfportretten, waar toch vaak een sérieux over hangt, een man en zijn werk, een man ín zijn werk, iets metafysisch zelfs, iets dat het licht tot nederigheid dwingt, de mens tot zelfreflectie. Ik hou van je schetsen, omdat je ze lijkt te maken om iets te betekenen in de wereld, om toch een of ander steentje bij te dragen, misschien leed je wel aan ennui? Je moet nagedacht hebben, diep, zonder echt na te denken, maar alles latend bezinken wat er in je haardos woelde, terwijl je ze maakte. Met verf erbij, dat moet iets bijzonders betekend hebben, en je moet haast blij zijn geweest telkens een doek af was? Dat lees ik erin. Ik denk dat je misschien beweging in je doeken wist te brengen, omdat je ongeduldig was? Je bent zonder sollen gestorven en dat is spijtig, tragisch zelfs. Je moet je misschien verraden hebben gevoeld door je beroep, alsof je beter geen dromer was geweest, geen idealist, geen bezeten geest? Alsof, want zonder jou nauwelijks waarneembare slordigheid, die tot in de perfectie, tot in de puntjes van een haar een doek of schets wat flou gaf, had misschien nooit schilderen en schetsen de plaats gekregen in mijn leven die ze bezit, een plek van een bolwassing van het geheugen, een plek van het doorspoelen en uitwringen van je hoofd om alle nare, triviale, er niet toe doende, domme en de aandacht voor het leven afleidende dwaalwegen en -sporen uit je ogen godbetert te krijgen, zodat je wat nauwkeuriger kon zíen hoe de mensen zijn, hoe je zelf was, gewoon naar het gezicht, de dwaasheden waar we aan lijden, die we uit de wereld helpen of in stand houden, een situatie die plots een interessant karakter krijgt, zodat ze de aandacht van de aanwezigen trekt, terwijl er tegelijk vaak de vraag is of er nog wel aanwezigen in het vertrek of dergelijke (kunnen) zijn, maar jij was er bijna stiekem, wat voyeuristisch soms, om een scene vast te leggen. Maar je moet er niet van gehouden hebben om er doekjes om te winden. Je kijkt met je verf, potlood, houtskool en penselen recht in de ziel van de mens.
Over manuscripten op papier. Als je op papier zou krijgen wat je van een laptopscherm meekrijgt, wat je wegwerpt, wat je van plaats verandert, wat je doorhaalt, wat je annoteert, wat je aanstreept, wat je bijschrijft, wat je vet of onderstreept, dan krijg je een gedeconstrueerde versie van wat er in je brein is omgegaan en nog is het niet genoeg. Hierna moet je nog leven in je personages pompen, dumpen wat niet meer verstaanbaar is, herschrijven wat dat nog wel is, verschuiven wat niet in een verhaalboog past.

In de traditie van de fenomenologie erkent Heidegger alleen ‘zijnden’, die, mits ze ‘ontsloten’ zijn, ‘ontdekt’ kunnen worden. Of deze zijnden daadwerkelijk worden ontdekt hangt altijd samen met de manier waarop we ons in ons handelen om de wereld bekommeren (de ‘zorg’) en dat vindt weer zijn grond in de manier waarop we onszelf ervaren (‘existentie‘). Het zijnde waarop die existentie betrekking heeft, wordt door Heidegger erzijn (‘Dasein‘) genoemd: een zijnde dat voor zichzelf ontsloten is, dat we altijd zelf zijn en dat in-de-wereld is.

Het mooie meisje op de cover van mijn blauwe Edda, jong en volstrekt onschuldig, maar doorspekt in haar geoefende geest met antieke teksten, die ze voorleest voor een woest volk dat zich vertederd ziet door de oude gevoelens, roddels, wederwaardigheden en heldendaden van goden en durfals, een spectrum van wijsheid in haar ogen, een zekere droefheid ook en een mond die op het punt staat nog iets toe te voegen aan het verhaal, maar dat niet doet. Dit is tragiek, aanvaarding en zorg over ons in éen. Ze moet kort haar hebben dit meisje, want over wat we zien van haar lieflijke gezicht valt niet éen lok. Ze bloost een ietwat, misschien omdat ze via buiten, doorheen de kou en sneeuw, naar de warme herberg is gekomen om de Allthing te verzekeren van recht op informatie en instructie, grond van traditie, overlevering en communicatie, van de redenen voor de gezangen die straks zullen losbarsten. Ze is zo tegemoetkomend in haar prachtige geest, dat valt aan haar ogen en neusje af te lezen, ze weet als het ware nog niet dat er tevens een fysieke drift bestaat die het lichaam overmeestert en ieder laat binnenstormen bij een ander lichaam, behalve dan wat ze gehoord heeft van de vissers op de schuimende zee, van de jagers en de vechters die verre dieren overmeesteren of vreemde landen binnendringen om daar buit te vergaren. Dit meisje kijkt begrijpend, meer vattend dan wat we zelf kunnen, omdat ze beschikking heeft over de oude poëzie zonder daar een vinger voor over een bladzijde te hoeven laten gaan.

De cool van Winona Ryder wanneer ze in de taxi in Girl, Interrupted een sigaret opsteekt en zegt, ‘Well, everyone’s sad.’ Als het ware tegen niemand in het bijzonder, maar toch ook tegen de chauffeur. De volstrekte aanvaarding van de situatie, het is wat het is, die uit een (mogelijk) herwonnen geestelijke (veronderstelde) gezondheid voortkomt, richt de blik op de voorwerpen in onze controle, de aanstekers of lucifers en de tere sigaret in de mond, het hybride van de situatie en van het zich bewegen doorheen de wereld (in een soort openbaar vervoer), het meesterschap van de vingers die zich laten samenwerken om de krachtigste element dat de mens onder controle heeft leren krijgen, te creëren: vuur. Dit vuur spreekt van de hitte en drift die we verondersteld zijn te overwinnen, of op zijn minst temperen om deze te leren gebruiken, matigen om deze te begrijpen, dat is de les waarmee het personage vertolkt door miss Ryder opgescheept zit. Maar gaat er zo werkelijk niets verloren, geen vechtzin, geen moed, geen onvoorspelbaarheid, geen schoonheid? We rijden doorheen een beboste stretch van land. Er is glas om ons heen en toch slaagt de actrice erin een gevoel van totale berusting die een gevoel van vrijheid bij de kijker teweegbrengt, op te wekken, een berusting die eveneens geluk in zich draagt, een glimlach lijkt zich te vormen, zo niet fysiek dan toch psychisch. Is het een glimlach van spot en dédain om het plaatsgevonden of een van oprecht geluk, vooruitziendheid en tevredenheid, dat is de spanningsboog hier in dit ene ogenblik. Is het geluk omdat het onberekenbare, het wispelturige, het opstandige niet uitgeroeid kan worden, wat er ook gebeurt, ook niet in de geest van het meisje die het vraagstuk hieromtrent zichzelf heeft gesteld als onoplosbaar, mogelijk zelfs doorziet? Of gaat vrede van gedachten en inborst boven alle tegenkanting die de wereld van mensen die verondersteld zijn te begrijpen maar dat niet kunnen, voor ons in petto heeft en is het veroveren van die vrede hetgene dat de glimlach teweegbrengt?
Wat schuilt er achter een zwarte zonnebril. Het kan ook gewoon een expressie zijn, zo’n ding op je neus. In de iconische foto van The Velvet Underground is er het feit dat er niets bijzonders verstopt wordt, kan worden, datgene dat zo mysterieus is geworden. En dit tijdens een sessie voor de camera waarin er een standpunt van hen werd beraamd door een publiciteitsmachine die onmogelijk grip op de band kan krijgen .De volstrekte cool en gewaarwording ligt erin dat de blik van de ziel op oneindig is ingesteld, net door die zwarte oogversterking, terwijl de achtergrond niet meer dan een wat onbepaald, verstrooid, dromerig zwartwit-spiegelbeeld van de wereldlijke ruimte waarin deze muziek kunnen groeien en tot wasdom kunnen komen heeft, is. Het is dat we hier met een drietal leden van de band zijn (als je Andy Warhol op een andere foto er niet bijtelt) die die zwarte roofdierblik dragen, die nachtvisie overdag, die monstering van het icoon dat afwezig is omdat het in het proces zich bevindt van gemaakt te worden, te weten zijzelf, ooit, later. Of misschien nooit. Zo voor een Russisch of Byzantijns icoon staan in een schaduw van een kaarsverlichte kerk moet hetzelfde teweegbrengen in je hersenen als hier in de ogen van de bandleden. De zonnebril-gaze verleent perspectief naar een plek achter de horizon. Er is veel geschreven over de gaze in filosofie en kunstgeschiedenis. Sla het er maar eens op na en leer hoe ingewikkeld het kan zijn om een volstrekt priemende, doch afwezige, onzichtbaar gemaakte blik te bezigen, waarbij voorwerp van de aandacht, hier, verdwijnt in het zich richten van de camera op het kijken. De kijkenden verdwijnen in een oplossende wisselwerking van een straal (on)zichtbaarheid, die (helder) beneveld, (geaccentueerd) donker (omwille van de brillenglazen) het geziene en het ongeziene en het vermoeden van wat gezien wordt door een paar dekselse menselijke wezens en individuen samen in een hap (dis)continueert, op vaste (losse) schroeven zet.



